Zaterdag 7 oktober 1995 rond een uur of twee ’s middags ging ik als 25-jarige jongen aan de bar zitten van Tisfris in Amsterdam – als jongen, ik voelde me nog geen man, of nog niet volwassen, ik voelde me zorgeloos en vrij – van verantwoordelijkheden-‘n-shit – en naast me zat of naast me ging een man zitten waar ik in m’n herinnering een uur of vijf mee heb gepraat. Waarschijnlijk over het leven, de liefde, vrouwen, schrijven, oud-worden, vrij-zijn, muziek, boeken, ik weet het niet meer. Die vijf uur, of misschien drie, hebben grote indruk op me gemaakt, hij heeft als man grote indruk op me gemaakt – hij was op dat moment 83, werd uiteindelijk 90 jaar (en twee dagen oud, op 7 juni 2002. Bron: wikipedia).
Ik ben veel van hem gaan lezen en heb zin om dat weer te gaan doen. Ik sla de bundel Verzamelde gedichten willekeurig open en lees op pagina 93:
OUDERDOM
De ouderdom verzacht het sterven.
De hand, te zwak om zich te heffen,
rust op het laken met de vrede der berusting.
De wereld werd een boomtak voor het raam,
een vogelzwerm op zoek naar zomer.
De liefde wordt een bevende gedachte,
een spreken van de vezels en een zingen
van ’t bloed, een winter van herinneringen.
De vorst heeft zachtheid en de zomer sneeuwt.
Vrouwen zijn licht en brozer dan haar glimlach.
En zelfs de dood is ons behulpzaam:
hij tilt ons zeer voorzichtig uit het koude bed.
(Adriaan Morriën.)