Onderstrepen

Het lastige van het lezen van een in mijn ogen goed boek is dat ik alles wat er staat geschreven wil onthouden. Daar komt mijn grote aandacht ook uit voort om alles te willen vastleggen wat schoonheid is in mijn ogen. Ik onderstreep in boeken de mooiste zinnen tussen de mooie zinnen. En wil die opschrijven, zoals de onderstreepte mooiste zinnen in dit boek. Ik ben nu bij pagina 86.

Komen ze.

Ik zeg, ik wil graag zeggen: ‘Wat voorbijgaat, is nog gaande, dus niet voorbij.’ Hij is het met me eens: veel blijft maar voorbijgaan zonder ooit voorbij te zijn. Bijna niets eindigt ooit echt.

Ik kan kijken in de tijd, niet altijd, wel vaak. Even stilstaan en een kant kiezen, een richting, heen en terug.

Mijn iets te grote schoenen zijn zo nieuw dat ik er bijna niet op durf te lopen.

Ik geloof dat ik toen voor het eerst woedend werd of begreep wat dat was, woedend zijn, ik schrok ervan, een klap in mijn gezicht. Omdat ik bang was. Bang voor hoe ik mezelf zag, over mezelf dacht.

‘En wie ben jij dan?’

Ik vroeg me op dat moment echt af wie ik was, wie ik kon zeggen wie ik was.

Misschien was die vraag mijn leven wel, was je de hele dag bezig die vraag te beantwoorden. Het was een vraag met zwaarte.

Antwoord je wie je bent of denkt of hoopt te zijn of wie de ander wil dat je bent?

De vraag die de buurvrouw stelde, was zo veelomvattend dat ik er een tijdje in wilde ronddwalen. Misschien ging ik daar lang over doen, zwijgend natuurlijk. Er was iets begonnen.

Mijn ouders voedden me zo op dat het altijd kan, aan iets anders denken, in dat verhaal zijn, al hadden ze geen idee wat dat was: ‘Onze Tom is een dromer.’

Mijn moeder zegt vaak: ‘Je wilt zeker dat we je laten.’

(..)

‘Hé! Nu kijk je weer anders.’
‘Laat hem toch,’ zegt mijn vader.

Vandaag laat niemand me, ik weet het zeker.

De pastoor was een grote intimiderende man. Zijn toog had heel wat lichaamsgeur gearchiveerd.

Dat is het woord dat nieuw is in mijn leven, communiefeest.

Mijn oma geeft me een horloge, mijn eerste, met nachtblauwe wijzerplaat, zilverkleurige cijfers, zwart leren bandje.
‘Kun je fijn zien hoe laat het is.’ Ze is niet de hartelijkheid zelf, maar dit mee ze, fijn zien hoe laat het is.

(..)

Het is tien over half twee en ik ben ervan overtuigd dat dit een tijdstip is dat ik moet zien te vermijden, levenslang.

(De schrijver kruipt in z’n taalgebruik in actieve vorm in het heden de herinnering binnen, zodat het levend wordt en echt zoals het was in zijn hoofd op dat moment, hoe hij het op dat moment voelde.)

Ik weet niet waarom, misschien zoek ik beschutting of een oplossing, wat vaak hetzelfde is.

Haar gezicht eist me op, grote ogen en een wat geschokken mond.

Ze tilt me uit dat alles weg. Dat denk ik later: ze tilt me nú mijn leven in.

Het anderste meisje.

‘Wie ben jij? Ik ben Adriana, Jana, zeggen ze, Jana, mag je ook zeggen.’ Dus niet: hoe heet je? Nee: wie ben jij?

Nog even blijft ze staan, ik verroer me niet, wil dat dit heel lang duurt, wij, hier, tegenover elkaar.

Haar zusje heeft haar nodig. Ik ook. Het is de eerste keer dat ik dat denk. Natuurlijk, ik heb m’n ouders ook nodig, maar dit is anders, die is nu eenmaal zo. Dit is wat anders.

Het is zwaar. Als ik het papier eraf heb getrokken, schrik ik: het is een bonk grijze klei.
‘Kun je fijn kleien,’ zegt de broer van mijn moeder, de psychiater, de rare kwast.
Fijn zien hoe laat het is, fijn kleien. Jana – ik prevel haar naam.

(..)

De man lacht. ‘Zo pas kan het niet zijn. Een paar weken geleden zijn ze verhuisd.’
Wurgend woord, verhuisd, woord vol hard verdriet. Ik kan het niet herhalen.

(..)

Mijn vader noemt de drogist ‘de loper’ omdat hij de hele tijd onrustig door de buurt loopt en vaak om zich heen kijkt alsof hij iemand zoekt. Mijn moeder zegt dat hij ‘iets te veel’ van vrouwen houdt. Ik weet niet wat daar fout aan is.

Niet voor niets is het zo verschikkelijk druk in Parijs. Graag wil ik in een verschrikkelijk drukke stad zijn, zo druk dat niemand me ziet maar ik wel iedereen. Verschrikkelijk is erg, maar niet altijd.

De vrouw bij de jukebox is Jana over twaalf jaar, ik weet het zeker.

Die foto moet ik hebben. Moet.

(..)

Wat ik in de klas moest leren, onthield ik als ik het had opgeschreven, dan was het voor mij. Mijn geheugen ging ook gul om met de wereld buiten mijn hoofd.

Het stemde me vaag bedroefd, want mij leek al zo veel voorbij als je die school verliet, terwijl je juist op die school, zéker op dat prestigieuze instituut, werd voorbereid op een veelbetekenende toekomst. Zou dan niets in die toekomst zo mooi zijn als deze inleidende tijd? Wat een ontluisterende gang van zaken. Lag het aan mij dat ik alles nog niet zo mooi vond als de volwassenen beloofden?

(Pagina 42 zou ik helemaal over kunnen nemen hier, zo mooi. Over de puberteit en de onzekerheid etc…)

(..)

Op weg van de tennisclub naar huis fietsend passeer ik haar, ook op de fiets, en ik zeg: ‘Wij hebben nog nooit samen gespeeld.’
‘You’re right.’ Dat hoor ik niet zo vaak. Lekker gezegd.
Zij stopt, ik ook, ze stapt af, ik ook, ze zegt: ‘We kunnen dat toch gewoon regelen.’

Ik hunker voortdurend naar muziek.

Muziek is mijn tijd, meer nog dan de gebeurtenissen en dat zijn er nogal wat, maar ik ben voor alles te jong om aan die gebeurtenissen deel te nemen, zelfs om er stoer over mee te praten.

Tennisbenen, lange.
Die zal ik altijd zien. Haar benen komen in mijn oogopslag. Kijken is ook een manier van denken over de veiligheid die je zoekt en blijft zoeken.

(..)

Ik moet hier écht weg, ik hoor hier niet, dadelijk vraagt iemand wie ik ben en hier zou ik dat echt niet weten.

(..)

We hebben allemaal mensen om ons heen die zeggen hoe het moet, hoe je je best moet doen om dit of dat te bereiken, want dat is je leven, je moet van alles bereiken, je moet ervoor zorgen dat het een succes wordt, dat iedereen die naar je kijkt, knikt: zo moet het.

Mij fascineert vooral wat zich daaronder voltrekt, wat er begon op het moment dat je je losmaakte uit de moederschoot, mij interesseert het geweer aan de muur, wie het daar opgehangen heeft, waarom het daar hangt en niet op een plek waar het niet opvalt en niemand er dus vragen over kan stellen. Die vragen stel ik.

En later, veel later, kocht ik een paar albums van Jefferson Airplane. Om naar te luisteren als ik aan haar dacht of wilde denken. Dat was ze wel, iemand aan wie ik soms wilde denken.

(..)

Verslaafd was ik aan dat nummer dat met dartele orgeltonen begon. Het enige wat van belang was: the other side. Meer was er niet. Er moest iets scheuren voor dat die zichtbaar werd.
Ik wist toen ook zeker dat ik zo moest leven dat er telkens iets te gebeuren stond, maar hoe doe je dat? Dat was mijn manier van leven de komende tijd, antwoord geven op die vraag.
‘Lekker op jezelf.’ Dat zeggen ze. En: ‘Je eet gewoon thuis natuurlijk.’

De zorgzaamheid van mijn moeder is pure liefde.

Ze blijft nog even staan, kijkt om zich heen, loopt naar het raam en terug, pakt een boek dat op mijn bureau ligt, de poëziebundel Mijn leven’s liederen van Remco Campert, bladert er doorheen en zegt dan, weer om zich heen kijkend: ‘Zo wil je het, hè, jongen.’
‘Ja.’
Ze zegt het nogmaals: ‘Ja, zo wil je het.’

Alles begint nu, denk ik. Ik concentreer me gespannen op de woorden van die gedachte: alles begint nu.

(..)

Paar jaar geleden stak iemand die wat al te kinderlijk liep te juichen per ongeluk een gladiolensteel in dat oog, een paar meter voor de finish. Een foto met heb bepleisterde oog haalde de volgende dag De Gelderlander.

One Nation Undergroun van Pearls Before Swine

Ik weet alleen dat die sherry deel uitmaakt van een dieet dat het gezin ontwricht.

We kennen elkaar nauwelijks, maar we willen dat wel, we weten dat het niet kan omdat we onszelf nauwelijks kennen.

(..)

Claire.

‘Wit,’ antwoordt de man van de wereld die in mij aan het ontwaken is en de jongen verbaast.
‘Ik heb een heel mooie.’

‘Ik ben psycholoog daar,’ zegt Claire. Haar stem komt uit een ander leven waarvoor ik ineens veel te jong ben.

(..)

Hij heeft zich al een paar dagen niet geschioren, de onderkant van zijn gezicht zit vol grijze waas, de harde mist van de ouderdom, ik meen ook dat ik hem ruik, dit prachtexemplaar van een man Gods: ‘Ja, heer Thomas, u bent negen minuten te laat.’

Ik begrijp er soms weinig van, maar dit is juist goed, het gaat er niet om alles maar te begrijpen, het moet juist niet, dat is saai, dat is niet mee te maken.

Ik lees dat, Verhagen, Dylan, Campert, Leonard Cohen, en weet dat ik het altijd zla kunnen, lezen wanneer ik dat wil. En al die momenten verbinden mij en die woorden met deze momenten in het park, het hart van mijn kleine wereld waarvan ik het helemaal niet erg vind dat die klein is, het kan met niets schelen, ik kan me zelfs niet voorstellen dat het me iets kan schelen.

Dát is het park daar, de ruimte die er is voor weergaloos optimisme, voor troost, het uitzicht dat troost biedt. En je dus ook niet afvragen waarvoor die troost nodig is.

(..)

Eén ochtend is het, al die ochtenden. Als ik me een beetje aanstel, zeg ik: ik zit daar nog.

Mij kon niets gebeuren.

Ik ben sinds mijn vijfentwintigste uit Nijmegen weg en altijd al ik in de stad ben, als ik daar terugkeer (toch natuurlijk dat woord: terugkeren, wat anders is dan ‘er weer zijn’), loop ik naar het park, naar de opluchting die dat park is.

me te verzoenen met alles wat daarin misging, omdat ik daar weer de sensatie voel dat ik met veel opnieuw kan beginnen,

de plekken waar ik losraakte van alles wat me verdrietig stemde

met van die trage vergeefsheid,

..

Inderdaad: Thomas Verbogt – Maak het mooi

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll naar boven